’t Is maar een boer! zoo hoort men dikwerf spreken,
   Zelfs in deez’ tijd, die zoo verlicht vaak heet;
’t Is maar een boer! Het zijn niet altijd leeken,
   Die wanen, dat een boer bijna niets weet.
De dwaas toch meent, dat boeren niets beteek’nen,
   want zonder hen was het hier slecht gesteld.

’t Is maar een boer, die van den vroegen morgen
   Tot ’s avonds laat zijn vreedzaam werk verricht;
’t Is maar een boer, die voor zooveel moet zorgen,
   Aan wien wij allen zooveel zijn verplicht.
’t Is maar een boer, die ook voor stedelingen,
   Het koren teelt, waarmede zij zich voên;
Zijn arbeid schenkt ons tal van nutte dingen,
   wat zouden wij wel zonder boeren doen?

’t Is maar een boer! doch staat hij niet ver boven
   Een ieder, die dat zegt op schampren toon?
Een kloeke boer verdient, dat wij hem loven;
   Zijn arbeid spant van menig werk de kroon;
Wie ge ook moogt zijn, wilt staâg de boeren eeren,
   Zij zorgen toch voor heel de maatschappij,
Het past ons dus de boeren te waardeeren,
   Van dwazen waan en van vooroordeel vrij.

Op 9 juli 1892 werd dit gedicht gepubliceerd in de Dedemsvaartsche Courant.